‘Je leeft niet voor jezelf alleen’
Hoogleraar en politicoloog Huub Spoormans was al vroeg in zijn carrière geïnteresseerd in hoe mensen en belangen tegenover elkaar kunnen staan, en toch samen door één deur moeten. Als voorzitter van de CRO probeert hij mensen met elkaar in gesprek te brengen. Voor het fonds ziet hij een rol in het verlengde daarvan. “Het fonds is een doe-club. Maar ook dat kan niet zonder gesprek.”
Hij is hoogleraar metajuridica aan de Open Universiteit en onderwees diverse vakken ‘rondom het recht’ aan de juridische faculteit van Maastricht University. Eerder in zijn loopbaan promoveerde Huub op de ontstaansgeschiedenis van de democratie in Nederland. “Welke krachten waren er, hoe werkten die op elkaar in? Daar ging ook mijn afscheidsrede aan de universiteit over: over hoe op dit moment allerlei dingen gebeuren die vanuit democratisch oogpunt niet de bedoeling zijn.”
Nu is Huub - op persoonlijke titel - lid van de raad van advies van het Omgevingsfonds MAA, waar hij als aandachtsfunctionaris Verkoopgarantie en Communicatie meedenkt en -oordeelt over de initiatieven die omwonenden aandragen.
Huub, hoe ben je bij de omgeving van de luchthaven betrokken geraakt?
“Naast mijn werk aan de universiteit heb ik altijd veel bestuurswerk gedaan, onder andere in het welzijnswerk en bij de GGZ. Ik kom uit een katholiek nest en mijn vader zei altijd: ‘Je leeft niet voor jezelf alleen’. Dat vind ik ook. Niet dat ik zo katholiek ben, maar je doet dingen niet alleen voor je eigen plezier. Je hebt ook een maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Na mijn pensioen ben ik gaan kijken wat ik verder zou kunnen doen. Op een dag kreeg ik een telefoontje: er was een plek vrij als voorzitter van de CRO. Diezelfde dag heb ik Peter Simons, de secretaris van de CRO, een briefje geschreven. Ik had geen binding met de provincie, geen kennis van de lokale politiek, en niet bijzonder veel verstand van luchtvaart. Daardoor ben ik onafhankelijk, en zo probeer ik de CRO ook voor te zitten.”
Wat is voor jou de belangrijkste bijdrage van de CRO?
“De CRO is een overlegorgaan, dus we mogen niet treden in functies en belangen. We gaan nergens over. We zijn niet machtig, hebben geen zeggenschap en kunnen geen zaken afdwingen. Wat we wél kunnen doen, is partijen met heel diverse belangen aan het woord laten en zorgen dat mensen met elkaar in gesprek komen.
Het doel is om mensen zover te krijgen dat ze niet naar elkaar wijzen en boos zijn, maar kijken of ze samen verder kunnen komen. Dat leidt soms tot succes, zoals met het onderzoek naar de aanvliegroutes op MAA. Omdat iedereen zegt: ‘Als dat helpt voor de omgeving, dan doen we dat.’”
‘Het gaat erom dat omwonenden zeggen: toch fijn dat ik hier woon.’
En van het fonds?
“Het fonds is een andere manier om tot uitdrukking te brengen dat er iets voor de omgeving gebeurt. Of dat nu een programma rondom vortex is, onderzoek of een ingreep om geluidsoverlast tegen te gaan. Of een project om nadelen te compenseren door dingen die leuk zijn. Het gaat erom dat omwonenden zeggen: ‘Toch fijn dat ik hier woon’.
Ik vind het erg belangrijk dat het fonds er is. Anders ben je steeds afhankelijk van subsidieverstrekkers die verder van het probleem afstaan. Natuurlijk: wat het fonds kan doen, is beperkt. We nemen de hinder niet weg. Maar mensen krijgen toch het gevoel dat er rekening met hen gehouden wordt. Het fonds maakt duidelijk dat mensen worden waargenomen.”
Waarom neem je als voorzitter van de CRO zitting in het Omgevingsfonds MAA?
“Het fonds doet dingen die raken aan wat de CRO doet, dus je moet elkaar goed informeren. Daarom is voorgesteld om de voorzitter van de CRO een plek te geven in het fonds. Niet met bestuurlijke verantwoordelijkheid, maar wel in de raad van advies. Daar kan ik meedenken, ideeën aandragen, projecten beoordelen. Dat werkt heel goed.
Samen helpen we niet alleen specifieke projecten vooruit, maar ook het grotere, maatschappelijke vraagstuk van een nieuwe balans tussen luchtvaart en omgeving. Want daarvoor is het nodig dat mensen kunnen inspreken, en dat het gesprek weer op gang komt. Dat we daaraan bijdragen, geldt voor het fonds net zozeer als voor de CRO.”
Wat zie je als de grootste uitdaging van het fonds?
“Het vinden van de verbinding met mensen. Als het fonds een bureaucratisch loket blijkt te zijn, mist het die verbindingsfunctie. Het moet niet alleen gaan over hoeveel geld er aan een bepaald project besteed wordt, maar ook over hoe je in gesprek met elkaar verder kunt komen, ook als je het niet met elkaar eens bent. Dat geldt voor het fonds net zozeer als voor de CRO. Alleen is de CRO een praatclub, het fonds een doe-club. Dat kan ook niet zonder gesprek.”
'Het moet niet alleen gaan over hoeveel geld er aan een bepaald project besteed wordt, maar ook over hoe je in gesprek met elkaar verder kunt komen.'
Staat het fonds niet duidelijker aan de kant van de omgeving?
“Zeker. Het is ook goed dat het fonds van de omgeving is. Het is de bedoeling dat mensen zelf betrokken zijn. Maar net als in de CRO kunnen belangen botsen. Dat is niet eenvoudig op te lossen. Toch zouden alle projecten samen tot die nieuwe relatie tussen luchtvaart en omgeving moeten leiden.
De leefbaarheidsprojecten vind ik bijvoorbeeld erg mooi, het zou mooi zijn als daar meer ruimte voor was. Vortex en Isolatie zijn heel directe manieren om problemen op te lossen. Onderzoek, vooruitdenken: dat is ook een goede manier om de discussie te voeren. Eigenlijk zijn alle programmalijnen heel belangrijk.”
Wanneer vind je het fonds geslaagd?
“Ik vind het belangrijk dat alle programma’s worden uitgevoerd. Maar het fonds moet er vooral aan bijdragen dat mensen rekening houden met elkaar, ze helpen verder te komen met elkaar. Er ligt een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de luchthaven en de omgeving.
Een tijd geleden hebben we vanuit de CRO een CRO+ georganiseerd (met partijen die normaal geen zitting hebben in de CRO, red.). Daarvoor hadden we ook de Alliantie uitgenodigd om te praten over wat die luchtvaart voor mensen betekent. Dat kun je raar vinden - een paar maanden eerder hadden tegenstanders van de luchthaven zich nog bij ons vastgeketend. Maar dat werkte ontzettend goed.
Dat soort gesprekken moeten we veel vaker voeren. Zodat mensen straks zeggen: ‘Het is beter geworden omdat we dingen bereikt hebben, maar ook omdat we ons erkend en gehoord voelen.’”